Opdracht 1 Je woont 6,0 km van school. Onder normale omstandigheden doe je er 20 minuten over om naar school te fietsen. Als je de wind pal tegen hebt, doe je er 30 minuten over. a) Bereken de snelheid onder normale omstandigheden b) Bereken de snelheid als je wind tegen hebt
Opdracht 2 Je gaat mountainbiken met een (gemiddelde) snelheid van 14 km/h. a) Bereken de afstand die je dan in 2,5 uur aflegt. b) Bereken de afstand die je in 2 uur en 50 minuten aflegt. Je moet nog 65 km fietsen. c) Hoe lang doe je daar over als je je snelheid niet verandert?
Opdracht 3 Monique moet bij haar vriendin een boek ophalen. De vriendin woont 3,6 km ver weg. Monique skeelert er met een snelheid van 14,4 km/u heen. Op de terugweg heeft zij een flinke wind in de rug: zij gaat tweemaal zo snel. Bereken hoelang Monique onderweg is. De tijd die Monique nodig heeft voor het aanbellen en het aanpakken van het boek telt niet mee.
Opdracht 4 De snelheid van geluid in lucht is 330 m/s. Bertus staat voor een bergwand te roepen. Hij hoort de echo van zijn stem na 4,0 seconden. a) Bereken hoever Bertus voor de bergwand staat. Het begint te onweren en Bertus ziet een bliksemschicht. De bijbehorende donderslag hoort hij 11 seconden later. Bij onweer zie je een bliksemschicht vrijwel onmiddellijk. b) Hoe ver is het onweer dan van Bertus vandaan? We hebben hierboven de tijd verwaarloosd die het licht nodig heeft om bij Bertus te komen. Licht reist met een snelheid van 300 000 km/s. De zon staat 149 600 000 km van de aarde. c). Bereken hoe lang licht onderweg is van de zon naar de aarde.
Opdracht 5 Omrekenen a) Reken de geluidssnelheid in lucht (340 m/s) om in km/h. Topzwemmers halen op de 50 meter vrije slag snelheden van rond de 8 km/h. b) Hoeveel m/s is dat? c) Lichtsnelheid: 300 000 000 m/s = ……….…. km/h d) Langzaam fietsen: 12 km/h = ………….. m/s
Opdracht 6 Waanzin? Enkele leerlingen moeten snelheden in km/h omrekenen naar m/s, en andersom. Ze weten niet meer precies hoe dat moet en komen bij elke opgave met twee verschillende uitkomsten. Eén van de twee uitkomsten is steeds goed. Bedenk zonder te rekenen welke (afgeronde) uitkomst goed is. (Hulpmiddel: een voetbalveld is ongeveer 100 m lang). a) Is 100 km/h gelijk aan 360 m/s of aan 27,8 m/s? b) Is 15 km/h gelijk aan 4,17 m/s of 54 m/s? c) Is 5 m/s gelijk aan 1,39 km/h of aan 18 km/h?
Opdracht 7 Een automobilist rijdt elke avond naar huis met een snelheid van 72 km/h. Zijn reactietijd bedraagt onder normale omstandigheden 0,8 s. Op zekere avond heeft hij een flinke borrel gedronken. Hij reageert daardoor trager, waardoor zijn reactietijd 1,5 s is. Met hoeveel meter neemt de afstand toe die de automobilist nodig heeft om tot stilstand te komen?
Je woont 6,0 km van school. Onder normale omstandigheden doe je er 20 minuten over om naar school te fietsen. Als je de wind pal tegen hebt, doe je er 30 minuten over.
a) Bereken de snelheid onder normale omstandigheden
b) Bereken de snelheid als je wind tegen hebt
Opdracht 2
Je gaat mountainbiken met een (gemiddelde) snelheid van 14 km/h.
a) Bereken de afstand die je dan in 2,5 uur aflegt.
b) Bereken de afstand die je in 2 uur en 50 minuten aflegt.
Je moet nog 65 km fietsen.
c) Hoe lang doe je daar over als je je snelheid niet verandert?
Opdracht 3
Monique moet bij haar vriendin een boek ophalen. De vriendin woont 3,6 km ver weg. Monique skeelert er met een snelheid van 14,4 km/u heen. Op de terugweg heeft zij een flinke wind in de rug: zij gaat tweemaal zo snel.
Bereken hoelang Monique onderweg is. De tijd die Monique nodig heeft voor het aanbellen en het aanpakken van het boek telt niet mee.
Opdracht 4
De snelheid van geluid in lucht is 330 m/s. Bertus staat voor een bergwand te roepen. Hij hoort de echo van zijn stem na 4,0 seconden.
a) Bereken hoever Bertus voor de bergwand staat.
Het begint te onweren en Bertus ziet een bliksemschicht. De bijbehorende donderslag hoort hij 11 seconden later. Bij onweer zie je een bliksemschicht vrijwel onmiddellijk.
b) Hoe ver is het onweer dan van Bertus vandaan?
We hebben hierboven de tijd verwaarloosd die het licht nodig heeft om bij Bertus te komen. Licht reist met een snelheid van 300 000 km/s. De zon staat 149 600 000 km van de
aarde.
c). Bereken hoe lang licht onderweg is van de zon naar de aarde.
Opdracht 5
Omrekenen
a) Reken de geluidssnelheid in lucht (340 m/s) om in km/h.
Topzwemmers halen op de 50 meter vrije slag snelheden van rond de 8 km/h.
b) Hoeveel m/s is dat?
c) Lichtsnelheid: 300 000 000 m/s = ……….…. km/h
d) Langzaam fietsen: 12 km/h = ………….. m/s
Opdracht 6
Waanzin?
Enkele leerlingen moeten snelheden in km/h omrekenen naar m/s, en andersom. Ze weten niet meer precies hoe dat moet en komen bij elke opgave met twee verschillende
uitkomsten. Eén van de twee uitkomsten is steeds goed.
Bedenk zonder te rekenen welke (afgeronde) uitkomst goed is. (Hulpmiddel: een voetbalveld is ongeveer 100 m lang).
a) Is 100 km/h gelijk aan 360 m/s of aan 27,8 m/s?
b) Is 15 km/h gelijk aan 4,17 m/s of 54 m/s?
c) Is 5 m/s gelijk aan 1,39 km/h of aan 18 km/h?
Opdracht 7
Een automobilist rijdt elke avond naar huis met een snelheid van 72 km/h. Zijn reactietijd bedraagt onder normale omstandigheden 0,8 s.
Op zekere avond heeft hij een flinke borrel gedronken. Hij reageert daardoor trager, waardoor zijn reactietijd 1,5 s is.
Met hoeveel meter neemt de afstand toe die de automobilist nodig heeft om tot stilstand te komen?